Het grote plein

Het grote plein met zeven straten,
Ligt daar eenzaam en verlaten.
Het publiek is vertrokken,
Naar nieuwe doelen die lokten.

Eens het centrum en hart van bijeenkomsten,
Waar mensen zich van hun pijn verlosten.
Het verzamel punt van zielen,
Die aan dit leven ontvielen.

Nu een ruïne van schijn,
Een centrum van pijn.
Zelfs de zeven straten,
Lijken leeg en verlaten.

Maar zijn ze dit ook echt,
Is dit verhaal wel terecht.
Of is het slechts de schijn,
Die voorkomt uit de pijn.

En zijn het slechts gesloten ogen,
En het niet meer durven hopen.
Waarom de leegte zichtbaar is,
En de angst voor het gemis.

En is het plein nog vol van leven,
En zielen die liefdevol geven.
Aan de zeven straten van het plein,
Dat bestaat in de realiteit en de schijn.
J.H.