Vogels

De vogel in de boom,

Zo relaxt zo gewoon.

Zo vrolijk en blij,

Fluitend en vrij.

 

Hij kan gaan waarheen hij wil,

fluitend of stil.

Stiekem kan ik hem benijden,

Hij hoeft zich niet uit een kooi te bevrijden.

 

Hij hoeft slechts zijn vleugels uit te slaan,

Om naar de volgende plaats te gaan.

Geen verplichting of verantwoordelijkheid,

Geen gevecht en geen strijd.

 

Ik zou als de vogel willen zijn,

Vrij van banden en van pijn.

Willen vliegen over land en over zee,

Met de wind en de seizoenen mee.

 

Dan zie ik de andere vogels komen,

En plaats nemen in de bomen.

Allen kijken naar het stukje brood,

Ze beginnen te schreeuwen en maken zich groot.

 

Het gevecht gaat beginnen,

En ook een vogel wil winnen.

Ook een vogel vecht voor zijn bestaan,

Om in het leven verder te gaan.

 

Op dat moment realiseer ik mij,

Ook een vogel is niet vrij.

Om te doen en te laten wat hij wenst,

Ook hij balanceert op de grens.

 

Ook hij moet vechten om te blijven leven,

Ook hij wil liefde ontvangen en geven.

Ook hij heeft de zorgen voor zijn gezin,

Ook hij heeft angsten die hij overwint.

 

Kijkend door mijn raam naar die vogels op hun vlucht,

Voel ik mij heel opgelucht.

En ben tevreden met mijn bestaan,

En de weg die ik in het leven heb te gaan.

 

Wat maakt het uit, mens of dier,

Of je nu daar woont of hier.

We voeren allemaal dezelfde strijd,

Voor een gelukkig leven zonder spijt.

J.H.